Onstaansgeschiedenis

De Haagse bankier Lunsingh Scheurleer werd in 1929 het slachtoffer van de economische crisis en moest de collectie van zijn museum verkopen. De Allard Pierson Stichting kocht de verzameling aan en schonk deze vervolgens aan de Universiteit van Amsterdam, onder de voorwaarde dat de collectie voor het publiek openbaar zou worden. Zo werd op 12 november 1934 het Allard Pierson Museum opgericht, gehuisvest aan de Sarphatistraat. Maar de geschiedenis van het huidige Allard Pierson gaat, zoals hieronder te zien is, veel verder terug.

Tot het vierde kwart van de zestiende eeuw is er in Amsterdam geen openbare bibliotheek. De belangrijkste verzamelingen manuscripten en gedrukte boeken zijn te vinden in de librijen van kerken en kloosters. Een eigendomsnotitie getuigt daar soms nog van. Zo bevat een perkamenten handschrift uit circa 1450 met het Oude Testament de inscriptie ‘Liber conventus sororum sancte cecylie in amstelredam’: boek van het nonnenklooster van Sint Cecilia te Amsterdam.

In 1578 gaat de stad Amsterdam over naar de hervormingsgezinden. Bij deze gebeurtenis, die bekendstaat als de Alteratie, vervallen alle eigendommen van de kerken en kloosters aan de stad, de boeken en handschriften incluis. Ten minste een deel hiervan krijgt een plek in de nieuw opgerichte Stedelijke Bibliotheek. Deze openbare boekerij wordt ingericht in een bijgebouw van de Nieuwe Kerk.

Om diefstal te voorkomen, zijn de boeken in de Stedelijke Bibliotheek vastgemaakt met kettingen. De folianten, gestoken in banden van kalfsleer over houten platten met zeemleren ruggen, liggen elk op een vaste plek op lezenaars.

Schenkingen en legaten van Amsterdamse burgers breiden het bezit van de Stedelijke Bibliotheek gaandeweg uit. Een van deze weldoeners is de schepen Jan Verhee, een geletterd man van ‘behoorlijk vernuft’. Bij zijn dood in 1599 laat hij de Stedelijke Bibliotheek zes boeken na met klassieke en theologische inhoud. Ter nagedachtenis wordt zijn naam met goud op de banden gestempeld.

De oudste gedrukte catalogus van de Stedelijke Bibliotheek, samengesteld door de Engelsman Matthew Slade alias Matthaeus Sladus, verschijnt niet bij een Amsterdamse maar bij een Leidse drukker. De catalogus beschrijft 765 titels, die bij elkaar zo’n 1400 banden omvatten. Het merendeel is ook nu nog in de Universiteitsbibliotheek te raadplegen. Tien jaar later, in 1622, komt er een tweede, uitgebreide editie van de pers, ditmaal bij de Amsterdamse drukker Paulus Aertsz van Ravesteyn. De uitgave wordt versierd met een fraai frontispice waarop enkele boeken te zien zijn.

Als in 1578 in Amsterdam de politieke en godsdienstige bakens worden verzet, neemt de laatste pastoor van de Oude Kerk de wijk naar het Land van Kleef. Behalve een onbuigzame katholiek is Jacob Buyck een groot boekenliefhebber. Na Buycks dood in 1599 keert zijn bibliotheek terug naar Amsterdam, om in 1627 te worden aangeboden aan het stadsbestuur. Het is de eerste grote schenking voor de jonge Stedelijke Bibliotheek, die daarmee in omvang verdubbelt. De meeste van de ruim duizend banden uit de boekerij van Buyck zijn nog altijd in de Universiteitsbibliotheek aanwezig.

De noodzaak tot hoger onderwijs brengt Amsterdam tot de oprichting van een ‘doorluchtighe school’: het Athenaeum Illustre. De Stedelijke Bibliotheek wordt Athenaeumbibliotheek en verhuist naar de zolder van de Agnietenkapel, waar het Athenaeum Illustre gehuisvest is. De boeken staan er in ‘lectrijnen’ op twee planken aan de ketting en kunnen op lezenaars geraadpleegd worden. Het drukkersmerk van de Amsterdamse drukker en uitgever Lodewijck Spillebout geeft een goede indruk van de situatie in de bibliotheek.

De roem van de Amsterdamse uitgever Joan Blaeu is nauw verbonden met zijn Atlas maior. Deze meerdelige wereldatlas verschijnt in vijf talen. Soms laat de eigenaar er een fraaie pronkkast voor maken. De Universiteitsbibliotheek bezit zo’n kabinet, met daarin een Nederlandstalige editie van de atlas uit 1664. Naast de Grooten atlas bevat het kabinet een tweedelig stedenboek, eveneens uitgegeven door Blaeu, met plattegronden van alle Noord- en Zuid-Nederlandse steden.

Tot 1695 staan alle boekbanden met de snede naar voren gericht in de lectrijnen. Bibliothecaris Petrus Schaeck laat alle banden omkeren en titelschildjes aanbrengen op de zeemleren ruggen. Ook alle kettingen worden vervangen. Schaeck werkt energiek aan vergroting van de collectie en weet belangrijke aanwinsten binnen te halen, waaronder een befaamd negende-eeuws handschrift met Caesars De bello Gallico. Het vormt de basis voor tal van tekstedities.

De talrijke sculpturen, portretten en manuscripten die de Amsterdamse koopman Gerardus van Papenbroeck bijeenbrengt, weerspiegelen zijn bewondering voor geleerdheid en dichterschap. Zo bezit hij het literaire archief van Pieter Cornelisz Hooft, dat hij samen met een groot aantal portretten schenkt aan de Athenaeumbibliotheek. Van Papenbroecks voorbeeld wordt in de loop der eeuwen door talrijke particulieren en instellingen gevolgd. Belangrijke schenkingen zijn de bibliotheek van E.J. Potgieter (1875), de hebraïca en judaïca van Leeser Rosenthal (1880), de bibliotheek van Felix Meritis (1889), de Bilderdijkiana van D.M. de Vries (1891), de autografenverzameling van P.A. en W.G.A. Diederichs (1892), de collectie van het Nederlandsch Schoolmuseum (1974), de bibliotheek van de psychiater en seksuoloog C. van Emde Boas (2003) en de Bridgecollectie Amsterdam (2006).

Sonnet van P.C. Hooft

Ter voorkoming van diefstal en beschadiging verschijnt een instructie voor de bibliothecaris. Ook komt er geld om een aantal ernstige lacunes in de collectie op te vullen.

In de tweede helft van de achttiende eeuw bevindt de bibliotheek zich in een deplorabele toestand. Bibliothecaris Jan Hendrik Verheyk noteert somber dat veel boeken ‘verrotten in de kasten als voedsel aan wormen en motten’. Een nieuwe instructie voor de bibliothecaris is dringend gewenst en verschijnt in 1779. Verheyk bepleit met succes een gerichte boekenaankoop. Verder laat hij nieuwe kasten maken en de boeken worden van hun kettingen ontdaan.

Toezicht en controle op het gebruik van de bibliotheek zijn er amper. Een reglement van orde, dat in 1805 van de pers komt, moet een einde maken aan de geconstateerde misstanden. De opsteller van het reglement, bibliothecaris Hendrik Constantijn Cras, ziet nauwlettend toe op de naleving ervan. Negen jaar eerder, in 1796, had Cras al een nieuwe catalogus samengesteld.

Na meer dan twee eeuwen verlaat de Athenaeumbibliotheek de zolder van de Agnietenkapel. De groei van de collectie vraagt om een ruimere behuizing.

Onder het bibliothecariaat van David Jacob van Lennep vindt de boekerij een nieuwe plek op de ruime en verwarmde bovenverdieping van het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht. Al in 1863 wordt die locatie weer verlaten en verhuist de bibliotheek naar een royaal onderkomen aan de Herengracht 40, een voormalig kantoor van de Nederlandsche Handel-Maatschappij.

Na een vernietigend rapport over de toestand van de bibliotheek benoemen de curatoren de jonge bibliograaf Pieter Anton Tiele als custos. Hij geeft uitvoering aan nieuw beleid dat gericht is op het binnenhalen van bruiklenen. De eerste grote bruikleenovereenkomst wordt gesloten met de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst (KNMG). Latere belangrijke bruiklenen komen van de Remonstrantse Gemeente Amsterdam (1878), het Genootschap ter Bevordering van de Natuur-, Ge­nees- en Heelkunde (1880), het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (1880), het Wiskundig Genootschap (1880), de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (1882), de Vereeniging Het Vondelmuseum (1902), het Nutsseminarium voor Paedagogiek (1925), het Evangelisch Luthers Seminarium (1871), het Multatuli Genootschap (1931), de Stichting Het Réveil-Archief (1931), het Frederik Van Eeden-Genootschap (1935), de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam (1968) en de Stichting het Begijnhof (1981).

Met de verheffing van het Athenaeum Illustre tot gemeentelijke universiteit wordt wat ooit begonnen was als stadsboekerij nu officieel de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Bibliothecaris Hendrik Cornelius Rogge krijgt de taak de bibliotheek om te vormen tot een instelling ten dienste van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. In 1881 verhuist de bibliotheek van de Herengracht naar de voormalige Handboogdoelen aan het Singel. Achter het gebouw wordt een nieuw boekenmagazijn opgetrokken.

De naam van het Allard Pierson Museum is ontleend aan de eerste professor Klassieke Archeologie aan de Universiteit van Amsterdam, Allard Pierson. Deze voormalig predikant werd in 1877 uitgenodigd de leerstoel Kunstgeschiedenis en Moderne Letteren te bekleden. Hoewel hij een kleine verzameling gipsafgietsels aanlegde, was er van een echt museum nog geen sprake.

Portret van Allard Pierson, Jan Pieter Veth, 1889, Portrettencollectie UvA

Het aantreden van Combertus Pieter Burger Jr. als bibliothecaris markeert het begin van een periode van professionalisering, die samenvalt met de ‘Tweede Gouden Eeuw’ van de Universiteit van Amsterdam. Onder leiding van Burger verschijnen tientallen gespecialiseerde catalogi van de bijzondere collecties, waaronder een reeks catalogi van het handschriften- en brievenbezit.

De tweede hoogleraar die archeologie onderwees aan de universiteit, was J. Six. Hij beschikte over een grote verzameling boeken en antieke voorwerpen die hij gebruikte voor het onderwijs. Toen hij in 1926 overleed, werd de Allard Pierson Stichting opgericht om deze collecties voor de Universiteit te behouden. Vanaf 1931 diende de zolder van het Instituut voor Mediterrane Archeologie aan de Weesperzijde als ‘museum’.

De Haagse bankier Lunsingh Scheurleer werd in 1929 het slachtoffer van de economische crisis en moest de collectie van zijn museum verkopen. Het Museum Scheurleer was reeds in 1924 ontstaan in Den Haag en was een privé-initiatief van C.W. Lunsingh- Scheurleer. De Allard Pierson Stichting kocht de verzameling aan en schonk deze vervolgens aan de Universiteit van Amsterdam, onder de voorwaarde dat de collectie voor het publiek open zou worden. Zo werd op 12 november 1934 het Allard Pierson Museum opgericht, gehuisvest aan de Sarphatistraat.

In 1934 werd prof. dr. G.A.S. Snijder de eerste directeur van het Allard Pierson Museum. Snijder collaboreerde  in de bezettingsjaren opzichtig met de Duitse bezetter en werd daarvoor ook veroordeeld tot een gevangenisstraf. Na de oorlog werd prof. dr. Emily Haspels benoemd tot directeur. Onder haar leiding groeide de studiecollectie en was het museum gehuisvest aan de Sarphatistraat waar het vooral als studiecollectie dienst deed.

De inrichting van het Allard Pierson aan de Sarphatistraat kwam tot stand in de jaren veertig. Gehuisvest in een oud schoolgebouw was het uitgangspunt dat een museuminrichting nooit de voorwerpen mocht overheersen. Wel moesten museum en vitrine de voorwerpen bescherming bieden. Foto voor 1940, Archief Allard Pierson Museum.

Het Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra, in 1838 opgericht om de kennis der natuurlijke historie te bevorderen, zet onder leiding van G.F. Westerman een wetenschappelijke boeken- en tijdschriftencollectie op. Deze bibliotheek wordt gehuisvest in een speciaal voor dat doel ontworpen gebouw bij de dierentuin Artis. Een eeuw later gaat de Artis Bibliotheek over naar de Gemeente Amsterdam, die haar toevertrouwt aan de universiteit. De Artis Bibliotheek, nog steeds gehuisvest in het oorspronkelijke monumentale pand aan de Plantage Middenlaan, is tegenwoordig onderdeel van de Bijzondere Collecties.

Alle drukken van Linnaeus in de Artis Bibliotheek

Tijdens het bibliothecariaat van Herman de la Fontaine Verwey krijgt een van de meest omvangrijke en veelzijdige boekhistorische collecties ter wereld onderdak in de Universiteitsbibliotheek. Het betreft de bibliotheek van de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels, tegenwoordig Bibliotheek van het Boekenvak geheten. De collectie omvat een vakbibliotheek over alle denkbare aspecten van het boekwezen en een grote verzameling bronnenmateriaal met betrekking tot de Nederlandse boekgeschiedenis. Een van de vele geïncorporeerde deelcollecties is het archief van het Amsterdamse Boekverkopersgilde. Dit archief bevat onder meer gildepenningen, zoals de penning uit 1681 van de Amsterdamse boekverkoper en uitgever Timotheus ten Hoorn.

De Bibliotheca Rosenthaliana, de collectie judaïca en hebraïca van de Universiteitsbibliotheek, lijdt tijdens de Tweede Wereldoorlog grote verliezen.

De conservator van de Bibliotheca Rosenthaliana en zijn assistent, L. Hirschel en M.S. Hillesum, worden gedeporteerd en keren niet terug. Het Joodse erfgoed dat aan hun zorg was toevertrouwd, wordt op last van de bezetter aan het gebruik onttrokken en deels weggevoerd. Bibliotheekpersoneel brengt kostbare stukken uit de Bibliotheca Rosenthaliana heimelijk onder in de Artis Bibliotheek om ze te behoeden voor confiscatie.

Dankzij bemiddeling van de hoogleraar G.W. Ovink wordt de Universiteitsbibliotheek in 1971 eigenaar van de bibliotheek en van archiefmateriaal van Lettergieterij en Machinehandel voorheen N. Tetterode-Nederland nv. De omvangrijke collectie Tetterode is internationaal een van de belangrijkste collecties op het gebied van de geschiedenis van de grafische techniek en vormgeving. Vooral de negentiende en de twintigste eeuw zijn sterk vertegenwoordigd. Zo bevat de collectie Tetterode het werkarchief van de bekende letterontwerper S.H. de Roos. Een pronkstuk is het zogenaamde Athiaskastje met historisch Hebreeuws lettermateriaal (stempels en matrijzen), dat in 2001 door Tetterode in permanent bruikleen werd gegeven.

Vele schenkingen en bruiklenen hebben inmiddels de collectie verrijkt. Met name onder de directeur prof. dr. J.M. Hemelrijk slaagde men erin belangrijke voorwerpen en verzamelingen te verwerven.

Een nieuw gebouw werd absoluut noodzakelijk. HKH Prinses Beatrix opende in 1976 de nieuwe behuizing in het oude gebouw van de Nederlandsche Bank aan de Oude Turfmarkt.

Twaalf kilometer aan handschriften, oude en zeldzame drukken, kaarten, globes, prenten en archieven werden in de eerste maanden van 2007 overgebracht van het Singel naar de Oude Turfmarkt. Daar betrokken de Bijzondere Collecties hun nieuwe behuizing. Achter fraaie historische gevels, die zich spiegelen in het water van een stukje oude Amstel, het huidige Rokin, gaan modern gerenoveerde panden schuil. Zij bevatten geklimatiseerde magazijnen, onderzoekzalen, handbibliotheken, een tentoonstellingsruimte en een café. De officiële opening van de Bijzondere Collecties vond plaats op 11 mei 2007 en werd verricht door Hare Majesteit Koningin Beatrix.

In 2019 gaan het Allard Pierson Museum samen met de Bijzondere Collecties verder onder de naam Allard Pierson. Het museumgedeelte van de gebouwen wordt met een ingrijpende verbouwing vernieuwd.