Onze gebouwen

De erfgoedcollecties zijn ondergebracht op historische locaties.

Het nieuwe nonnenklooster aan de Oude Turfmarkt

De geschiedenis van de plek waar nu het Allard Pierson gehuisvest is, gaat terug tot het jaar 1402. Toen werd hier, aan de oever van de Amstel, het Nieuwe Nonnenklooster gesticht. Het kloosterterrein lag tussen het huidige Rokin, de Grimburgwal en het verlengde van de Achterburgwal. Tijdens opgravingen in het huidige gebouw zijn voorwerpen gevonden uit de tijd dat op deze locatie nog nonnen woonden, waaronder aardewerk, een tinnen lepel, textielloodjes en een pijpaarden reliëf.

Om op deze plek te kunnen bouwen, moest de oever van de Amstel worden opgehoogd. De rivier maakte destijds op deze plaats een brede bocht. Het Nieuwe Nonnenklooster blijkt direct aan de Amstel te hebben gelegen en de bebouwing volgde de loop van de rivier. Dat heeft in het gebouw ‘sporen’ nagelaten. Plaats en richting van de schuine achterwand zijn bepaald door de loop van de Amstel rond 1400. In de vloer is het tracé van de rivier in letters uitgebeiteld.

Het Sint Pietersgasthuis

Rond 1500 werd de oever opnieuw opgehoogd. Het klooster gebruikte dit terrein om huizen op te bouwen die vervolgens verhuurd werden. Rond 1550 werd de kade van de Amstel rechtgetrokken tot aan de stadsmuur en het rondeel, een halfronde muurtoren op de plek van het huidige Hotel de l’Europe. Omdat er tot 1643 turf werd verhandeld, kreeg de oostelijke kade van het water dat nu Rokin heet omstreeks 1900 de naam Oude Turfmarkt.

Na de Alteratie van 1578, toen Amsterdam zich bij de Opstand voegde, nam het protestantse stadsbestuur het Nieuwe Nonnenklooster over. De gebouwen werden toegewezen aan het Sint Pietersgasthuis. Omdat het bij dit hospitaal behorende Pesthuis, dat buiten de stadsmuren lag, halverwege de achttiende eeuw de benaming Buitengasthuis kreeg, werd het Sint Pietersgasthuis vanaf toen Binnengasthuis genoemd. Wanddecoratie die eens de regentenkamer van het Binnengasthuis sierde, heeft nu een prominente plaats in de regentenkamer van het Allard Pierson.

De Vingboonspanden

Net als het klooster verhuurde het Sint Pietersgasthuis woningen aan de rand van het terrein. Vanaf 1643 werden aan de Oude Turfmarkt negen elegante huurhuizen gebouwd naar ontwerp van de architect Philips Vingboons (1607-1678). Hoewel de gevels niet meer authentiek zijn, is de grondstructuur van drie Vingboonspanden in een deel van het gebouw behouden. Zo vallen de drie zalen samen met de voorhuizen en is de centrale hal ontstaan door de binnenplaatsen van de huizen samen te voegen. In de handbibliotheek op de eerste verdieping zijn de originele balkenplafonds te zien.

Het poortje dat nu de entree van het gebouw vormt, werd na de bouw van de Vingboonspanden gemetseld om toegang te geven tot de huisjes die zich aan de Gasthuishof bevonden. Vanuit de hal is goed te zien dat het een stenen tongewelf betreft. Mogelijk bevat het deels zeventiende-eeuws muurwerk. In het verleden is het gewelf overbouwd geweest. Aanvankelijk waren de verdiepingen boven het poortje verbonden met het Vingboonspand ter linkerzijde, maar in 1926 kwam het onder één kap met het naastgelegen Sint Bernardus Gesticht.

Het Sint Bernardus Gesticht

In 1842–1843 vestigde het ‘Gesticht van Liefde Sint Bernardus’, een katholiek verzorgings- en verpleegtehuis, zich rechts van de Vingboonspanden. Het Sint Bernardus Gesticht kampte voortdurend met ruimtegebrek. In 1882–1884 volgde dan ook nieuwbouw, naar ontwerp van de architect P.F. Laarman. De enig overgebleven originele Vingboonsgevel werd daarbij, samen met het Gasthuishofpoortje, van een neo-renaissancistische gevel voorzien door de architect G.B. Salm. Boven de ingang van de nieuwbouw prijkte een beeld van de Heilige Bernardus, maar dat werd al gauw weer weggehaald.

De Nederlandse Bank

Beging 19e eeuw krijgt De Nederlandse Bank een aantal Vingboonspanden in bruikleen, en in 1864 koopt de bank een groot aantal panden aan de Oude Turfmarkt. Architect W.A. Froger ontwierp het gebouw dat in 1869 in gebruik werd genomen. Het aanzien van de gevel en het interieur worden ingrijpend gewijzigd en zes van de negen Vingboonspanden worden in het nieuwe bankgebouw opgenomen. Het gebouw krijgt een nieuwe gevel in neo-classicistische stijl. De bank neemt het gebouw in 1869 in gebruik. Veel details herinneren aan dit verleden, zo loopt er bijvoorbeeld nog een rails vanaf de kade de entreehal in, voor karren met geld.

In 1900 kon de gevelomvang met nog twee vensterassen worden uitgebreid, maar toch werd uitgekeken naar een nieuwe locatie.

Na het vertrek van de bank naar het Frederiksplein neemt de Universiteit het pand in 1968 over. Beeldend kunstenaar Dick Elffers tekende voor de omvorming van bank naar museumgebouw dat op 6 oktober 1976 werd geopend.

Architectenbureau Atelier PRO heeft de monumentale Vingboonspanden (1643–1645), het voormalige Sint Bernardus Gesticht (1882–1884) en het hiertussen gelegen Gasthuishofpoortje, tot één geheel gemaakt. Bij de recente verbouwing zijn alleen de voor- en achtergevel van het Sint Bernardus Gesticht behouden.

Allard Pierson aan de Amstel

De Artis bibliotheek

De Artis Bibliotheek begon haar bestaan als bibliotheek van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap ‘Natura Artis Magistra’ in 1838. In 1868 verhuisde de bibliotheek naar een speciaal ervoor ontworpen gebouw, gelegen aan de Plantage Middenlaan 45, nabij de dierentuin Artis. Het is ontworpen door de bekende Nederlandse architect Gerlof Bartholomaeus Salm in de zogenaamde ‘eclectische stijl’. (Dit is een stijl waarbij ernaar gestreefd wordt uit stijlen of motieven datgene te kiezen wat het beste lijkt.) In 1869 en de jaren zeventig van de negentiende eeuw werd het gebouw in twee fases aanzienlijk uitgebreid, om de verschillende collecties van het Genootschap onder te brengen. Het kreeg de naam Fauna Gebouw (tot september 2005 Plantage Bibliotheek geheten), waarvan het rechtergedeelte ook nu nog in beslag genomen wordt door de Artis Bibliotheek.

In 1939 werd het Koninklijk Zoölogisch Genootschap ‘Natura Artis Magistra behoed voor een faillissement door de overdracht van al zijn bezittingen, met uitzondering van de levende have, aan de gemeente Amsterdam. Vanaf dat moment werden de bibliotheek van het Genootschap en de ‘levenloze’ zoölogische collecties opgenomen in de collecties van de Universiteit van Amsterdam.

Het Fauna Gebouw werd in 1972 samen met het negentiende-eeuwse bibliotheekinterieur op de Rijksmonumentenlijst geplaatst.

De verzamelingen malacologie (schelpdieren) en ichthyologie (vissen) van het Zoölogisch Museum van de Universiteit van Amsterdam, dat ongeveer twee derde van het Fauna Gebouw in gebruik had, verhuisden in 1988 naar een onderkomen aan de Mauritskade. Het gebouw werd gerenoveerd en 1989–1990 ingericht voor de huisvesting van twee andere bibliotheken naast de Artis Bibliotheek: die van het Zoölogisch Museum Amsterdam en die van de Natuurwetenschappelijke Stichting voor het Caraïbisch gebied. Eind 2005 zijn deze bibliotheken elders ondergebracht. Zo werd van 1990 tot 2005 de oorspronkelijke wens van architect Salm dat het hele Fauna Gebouw voor bibliotheek doeleinden wordt gebruikt, alsnog gerealiseerd.

Een opmerkelijk detail aan het gebouw zijn de lichtgekleurde namaak-marmeren platen aan beide zijden in de gevel, met daarop in goud ingelegde namen. Het zijn de namen van 36 beroemde wetenschappers (onder wie slechts één vrouw: Maria Sibylla Merian) van wie werken in de Artis Bibliotheek aanwezig zijn. In 1952 werden door Jan Groenestein sgrafitto’s (ingekraste voorstellingen) van dieren aangebracht, gedoogd door Monumentenzorg. Zij passen wonderwel in het eclectische geheel.

Interieur Artis bibliotheek

Prent uit de Iconographia Zoologica, een verzameling van 20.000 dierprenten in de Artis Bibliotheek