Sinds mensenheugenis trekken in de weken voor Pasen de jaarlijkse uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion half Nederland naar de kerk of de concertzaal. In deze periode raapt menig musicus (het zijn vrijwel allemaal zzp'ers) een substantieel deel van zijn jaarinkomen bijeen. Als we iets een stille ramp noemen, dan heeft die zich onder deze groep misschien wel in de meest letterlijke zin voltrokken. In 2020 zijn alle passieconcerten afgelast. Het was niet alleen stil op straat, het was oorverdovend stil in de kerken en de concertzalen.

            Toch heeft zo'n traditie ook zijn nadelige kanten: de alles overheersende aandacht voor Bachs passies ontneemt ons het zicht (en het gehoor) op alle andere muziek die aan de lijdenstijd gerelateerd is. Talloze andere componisten schreven passies en een groot deel ervan heeft een grote artistieke waarde, maar we horen er maar zelden iets van. Dit typisch Nederlandse verschijnsel heeft nog een neveneffect: in de lijdenstijd is alle aandacht gericht op Bach, maar buiten de lijdenstijd is het not done om passiemuziek uit te voeren. Beide aspecten zijn in het buitenland veel minder absoluut, daar kun je passiemuziek (weliswaar mondjesmaat) het hele jaar door beluisteren en niet alleen die van Bach. Misschien kunnen we alvast voorsorteren op volgend jaar: ik heb een goede suggestie voor de toekomstige anderhalvemeter-samenleving in de concertpraktijk: muziek in kleine bezetting, met ook een klein (maar uitgelezen) publiek.

img561.jpg
Afb. C.T. Padbrué, I.V. Vondels Kruisbergh, cantus p1. Sign. O 06-5528

            Ik vestig in dit verband graag de aandacht op de Haarlemse componist Cornelis Tymensz. Padbrué (ca. 1592-1670). Hij wordt wel gezien als Vondels lijfcomponist. Dat is misschien wat al te sterk uitgedrukt, maar het is zonder meer waar dat Padbrué meer teksten van Vondel op muziek heeft gezet dan welke andere tijdgenoot ook. En de liefde kwam van twee kanten, Vondel wist op zijn beurt de muzikale activiteiten van Padbrué te waarderen. Hij schreef er een gedicht over dat hij de aansprekende titel 'Deuntje' meegaf. Hij droeg het aan de componist op, maar noemt hem verrassend genoeg Tijmen, naar zijn patroniem. Het begint zo: 'O genoeghelicke Tymen, / Als uw tong begint te lijmen, /  Op het velt, of in het koor, / Lijmt ghy alles aan uw oor, / Wat in vellen schuilt of veeren'. Net als Orpheus kan Padbrué de dieren dus ontroeren met zijn muziek. De slotwoorden van het 28 regels tellende gedicht zijn een oproep van Vondel aan de componist om er vooral mee door te gaan zijn teksten op muziek te zetten: 'Wilje zingen, ik wil rijmen. / O genoeghelicke Tymen, / Zoo mijn zangk geen waarheid derft, / Ghy zult zingen, als ghy sterft'.

Schilderij van Vondel door Jan Lievens (1660). Olieverf op doek.

            In de Amsterdamse Bibliotheek van het Begijnhof bevindt zich het enig bewaard gebleven exemplaar van Padbrué's verklanking van Vondels 'Kruisbergh'. Ik maakte er een aantal jaren geleden een transcriptie van, die via de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis (KVNM) verkrijgbaar is. Het werk is een typische representant van de vroege barok en is geschreven voor vijf zangers met basso continuo: met zes of zeven musici kun je dit stuk op de planken brengen. Nadat Vondel Jezus' kruisdood en de betekenis ervan voor de mensheid heeft beschreven, volgt er een belangrijke wending in het gedicht: Vondel vraagt of hij voor zichzelf ook inspiratie mag vinden in het lijdensverhaal. Padbrué heeft deze overgang in de tekst goed aangevoeld en markeert het met muzikale middelen. Voor een goed begrip van de tekst kan de uitgave van De werken van Vondel (Amsterdam 1927) door J.F.M. Sterck dienst doen (deel III, p. 601-605 en op p. 405 van hetzelfde deel staat Deuntje), de gegeven tekstverklaringen helpen deze complexe tekst te doorgronden. Na Vondels 'Kruisbergh' volgen nog twee Latijnse lijdensmotetten, 'O vos omnes' en 'O triste spectaculum!' (beide voor vier zangers met basso continuo), die m.i. onlosmakelijk met het voorafgaande verbonden zijn. Hierin toont Padbrué ook de aloude renaissancestijl te beheersen. Misschien niet geschikt voor het grote publiek, maar een kostbaar juweeltje voor fijnproevers die in of buiten de lijdenstijd op gepaste afstand van elkaar van hoogwaardige muziek willen blijven genieten. Luister hier naar het stuk, in een uitvoering van Camerata Trajectina: klik hier.

Simon Groot

Simon Groot is conservator muziekhistorische collecties en artistiek leider van het Hemony Ensemble, een klein professioneel ensemble voor renaissancemuziek. Hij is bij het Allard Pierson verantwoordelijk voor de Bibliotheek van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en is gepromoveerd op de Amersfoortse musicus Joannes Tollius. Alle artikelen van Simon Groot